De recente uitspraak van de Raad van State d.d. 18 december j.l. over intern salderen zorgde voor veel vragen bij deelnemers aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en Lbv-plus. Met name bij ondernemers die na het beëindigen van hun veehouderijactiviteiten wél iets anders willen doen op hun locatie, ontstond onduidelijkheid over de vergunningverlening. Maar er is goed nieuws.
Gemeenten en provincies mogen weer vergunningaanvragen beoordelen van deelnemers aan de Lbv of Lbv-plus. Hiervoor is een speciale handreiking in de maak, ontwikkeld door het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in samenwerking met de provincies.
15% stikstofruimte
Deze handreiking maakt het mogelijk dat maximaal 15 procent van de stikstofruimte uit de oorspronkelijke vergunning gebruikt mag worden voor een nieuwe activiteit op dezelfde locatie. “Deze uitspraak biedt een werkbare route voor iedereen die na het stoppen met zijn veehouderij iets nieuws wil beginnen op zijn locatie”, benoemt Marco Hol, adviseur bij DLV Advies. “Ook voor projecten die in de sloopfase depositie zouden veroorzaken, kan deze handreiking bijdragen aan het verkrijgen van een natuurvergunning”, vult Thom Jansen, adviseur Ruimtelijke Ordening, aan.
Geen bezwaar tegen uitspraak
Marco verwacht dat partijen die zich doorgaans kritisch opstellen in stikstofdossiers, géén bezwaar zullen hebben tegen deze werkwijze. “Voor wie geen nieuwe activiteiten gaat uitvoeren, verandert er overigens niets”, aldus Thom. “Voor veehouders die beëindigen, zonder vervolgens te starten met een andere stikstof uitstotende activiteit, heeft de uitspraak van de Raad van State geen gevolgen. Dan geldt dat er een volledige intrekking van de vergunning kan plaats vinden.”
Tijdig in gesprek
Voor ondernemers die wel een nieuwe activiteit willen starten, is het belangrijk om tijdig het gesprek aan te gaan met de gemeente en een heldere aanvraag in te dienen. Als de aanvraag volledig is, geldt een behandeltermijn van maximaal 26 weken. Lukt het niet om toestemming te krijgen voor een nieuwe activiteit, dan blijft volledige intrekking van de vergunning noodzakelijk om aanspraak te kunnen maken op de subsidie. In dat geval, of als de behandeling van de aanvraag stagneert, is de veehouder verzocht contact op te nemen. Dit helpt ook om in beeld te brengen waar knelpunten ontstaan en waar oplossingen nodig zijn.
Tot slot wordt onderzocht of het mogelijk en wenselijk is om de periode waarin aan de voorwaarden voor beëindiging moet worden voldaan, te verlengen. Daarmee zouden Lbv’ers meer tijd krijgen om dieren en mest af te voeren en hun plannen voor de toekomst te verkennen.
Bron: DLV Advies